Het onderstaande artikel geschreven door M.C. Wintersteijn is verschenen in het nummer van mei 1957 van “Bank Noten”, het personeelsorgaan van de Twentsche Bank.


De tunnelbouw en onze voorouders

 

KENT U het verhaal nog uit onze schooljaren? Honderd jaar voor Christus, de Batavieren komen in ons land, de Rijn afzakkende in uitgeholde boomstammen. Ze zijn gehuld in dierenhuiden en drinken gerstebier uit de schedels van hun verslagen vijanden. En wanneer ze dronken zijn verdobbelen ze hun vrouwen en tenslotte zichzelf. Zouden we ooit misleidender en foutiever schoolboekjes hebben gehad? Ja, als we dan later bij aardrijkskunde aan de hunnebedden kwamen zaten we daar wel een beetje mee in onze maag, al was het dan gelukkig figuurlijk. Er waren vóór die Batavieren dus toch al andere bewoners geweest en reeds in zoverre ontwikkeld, dat zij in staat waren zeer grote en zware stenen te verplaatsen en te stapelen.

Nu lenen onze lage landen, vooral de kustprovincies, zich niet gemakkelijk voor oudheidkundige onderzoekingen. Er zijn hier geen bergen met grotten waarin veel bewaard kon blijven en ook geen door de zon volkomen uitgedroogde zandvlakten als aan de randen van de Sahara. Onze voorgangers konden moeilijk natuursteen gebruiken, ze waren in hoofdzaak aangewezen op hout, vezels en wol, alle stoffen, welke, met de mensen zelf, na een luttel aantal jaren in dit vochtige klimaat zijn vergaan zonder noemenswaardige sporen achter te laten. Het zijn in hoofdzaak de scherven van aardewerk welke belangrijke sporen achter lieten. 

Toch zijn de geleerden in het westen van Europa er in geslaagd nog zoveel op te sporen, dat zij de bevestiging hebben, dat de bewoners een eeuw voor Christus reeds een behoorlijke trap van beschaving hadden bereikt, dat zij gekleed gingen in geweven kleding en leefden van landbouw en veeteelt. De boerderijgebouwen hadden reeds een behoorlijke omvang, ook al kende men nog geen baksteen. Er werd gebouwd door palen in de grond te plaatsen, daartussen een vlechtwerk van wilgen of berkentakken aan te brengen en dit aan beide zijden met leem te bekleden. Wanneer deze klei of leem hard was ingedroogd of door brand was gebakken, bleef het in die vorm bewaard. Hierdoor kan men nu nog massa's van deze huttenklei vinden, waarin de afdrukken van de takken nog voorkomen. De takken zelf zijn reeds lang vergaan, doch van de palen zijn, beschermd door het grondwater, dikwijls de ondereinden nog bewaard gebleven, zodat men de omvang der gebouwen kan beoordelen. Men wist reeds lang uit oer door middel van houtskoolvuurtjes ijzer te winnen. De "slakken" daarvan kan men nog vinden.

Neen, een 1000 jaar vóór de Batavieren kende men in Denemarken, Noord-Duitsland en Oostelijk Nederland reeds een belangrijk ontwikkelde bevolking, in elk geval op een hogere trap staande dan de schoolboekjes over de Batavieren doen vermoeden. Werd niet in 1955 bij Pesse in Drente een kano gevonden, gemaakt van een uitgeholde dennestam, welke wordt gedateerd op 7000 jaar voor Christus, de oudste boot van Europa.

De vraag is nu, hoe was het eigenlijk gesteld in de vroege tijden langs de kusten van de Noordzee, in het bijzonder Noord-Holland. 

Toen de bezetters hier in de buurt van het Noordzeekanaal hun "tankgracht" groeven kwamen reeds vele gegevens aan het licht, waarbij gevonden scherven in het bijzonder de aandacht trokken van een amateur-archeoloog, een H.B.S.-leraar. Ook bij het graven te Bakkum voor de Lek-waterleiding stiet men op oude woonlagen. Het aantal vondsten werd nog veel groter toen men met de bouw van de Velsertunnel begon. Jammer genoeg gaat dat niet zeer zachtzinnig, grijpers happen zonder inzicht massa's aarde weg, draglines sleuren hun bakken door de bodem en bulldozers pletten alles met niets ontziend geweld. Er is geen tijd voor oudheidkundige opsporingen. Maar dank zij vele geïnteresseerde buitenstaanders is toch veel aan het licht gekomen. Iets van de resultaten van de onthullingen door de tunnelbouw te vertellen is de bedoeling van dit opstelletje.

In de eerste plaats dan onthullen de verschillende aardlagen een aantal rampen. 

Op een meter of zeventien diep vindt men de Usseloo-Iaag, een laag welke zich uitstrekt over vrijwel geheel Nederland, een deel van België en Engeland en zo wordt genoemd naar het plaatsje in Twente waar de laag vlak onder de oppervlakte ligt. Men kan deze laag dateren op ongeveer 10.000 jaar voor Christus, dus in de tijd toen de tegenwoordige Noordzee nog niet bestond. In de bruine laag vindt men vele houtskooldeeltjes, wat er op wijst, dat in die tijd een enorme toendra- en bosbrand heeft gewoed van West-Duitsland tot in Engeland. Het is mogelijk dat een vulkaan in de Eifel de brand heeft gesticht en een krachtige oostenwind het vuur heeft voortgejaagd, alle leven vernietigende. 

Daarna is het een poos stil, doch dan komt een goede 4000 jaar vóór Christus de doorbraak bij Calais, waardoor het oceaanwater het lage land binnenstroomt, de dieren voor zich uitdrijvende. Wat zich kon redden naar de zijkanten bleef gespaard, maar wat zich meende te redden naar het hoger gelegen midden werd door het water omsingeld en ging tenslotte in de golven onder, daar, waar nu nog de Doggersbank ligt. De vele daar opgeviste beenderen en geweien zijn de stille getuigen van deze doodsstrijd. De kust van Holland lag nu onbeschermd tegen het zeewater. Van de uit het zuiden meegesleurde zandmassa's begon de zee een wal, strandwal of schoorwal op te werpen. Dit is enkele malen achtereen gebeurd, zodat deze strandwallen nog zijn te herkennen. Op deze wallen werden later de kastelen gebouwd. Tussen deze wallen bleef water achter, dat geleidelijk aan zoeter werd, waar planten gingen groeien en tenslotte een veenlaag ontstond. Deze veenlagen nu vormen nog het weideland achter de duinen. 

De duinen zelf zijn echter eerst na de komst van de Romeinen ontstaan. Op de hoger gelegen delen vestigden zich mensen. Zij bouwden daar hun huizen en legden er hun akkers aan. Doch telkens weer kwamen de zandverstuivingen en telkens weer moesten na een harde strijd de bewoners het opgeven en werd de door hen gevormde woonlaag ondergestoven en bedekt door een zandlaag. Verschillende van deze donkere woonlagen kan men vaststellen, welke evenzovele menselijke nederlagen tegen de natuur aangeven. Tenslotte zijn er in de jongste tijd een aantal doorbraken van de zee geweest, waardoor grote kreken zijn ontstaan, soms tot diep het land in, waarbij het bestaan van Holland ernstig op het spel heeft gestaan. De plaats waar deze doorbraken en kreken zijn geweest is met behulp van luchtfoto's gemakkelijk vast te stellen. Het rijksarchief bezit vele opmerkelijke en leerzame luchtfoto's. 

En nu de bewoners. De oudste laag dateert van ongeveer 700 vóór Christus. De bewoners maakten uit de hand aardewerk van klei en steengruis, verhard boven een vuurtje en gebruikten vuurstenen, pijlpunten en andere gereedschappen. Het aardewerk vertoont veel overeenkomst met dat van de Britten in Engeland, waaruit men meent te mogen afleiden, dat deze bewoners van over zee zijn gekomen en als de Britten, Kelten waren. Een volgende laag wijst ook op bewoners, welke van over zee het land in gebruik zijn gaan nemen. Dan tenslotte komen de Germaanse stammen, wier cultuur men gemakshalve door de verzamelnaam Fries-Bataafs aangeeft. 

De Friezen bewoonden de kuststrook tot ongeveer Katwijk aan Zee. In die tijd zijn er in de omgeving van Velsen, Bakkum enz. zeer belangrijke woonoorden geweest. Het land was lang niet zo "leeg" als men vroeger wel eens heeft gedacht. Scherven van allerlei soorten aarden potten, spinsteentjes en enkele sieraden zijn gevonden.

 

Het merkwaardige is, dat men in de verschillende nederzettingen rond de tegenwoordige tunnelbouw ook verschillende scherven van Romeinse oorsprong vond. Omdat de Romeinse pottenbakkers hun naamstempel op het aardewerk plaatsten en men nu precies weet, wanneer deze pottenbakkers werkten, kan men deze scherven precies dateren. Hieruit blijkt, dat ze in hoofdzaak uit Zuid-Frankrijk kwamen en een periode van een jaar of tien omvatten, zo ongeveer 40 jaar na Christus.

Zover bekend zijn de Romeinen in wat nu Nederland is praktisch bezuiden de Rijn welke toen langs het tegenwoordige Utrecht en Katwijk liep - gebleven, voortdurend in conflict met de Germanen aan de overzijde. Tenslotte kreeg de veldheer Corbulo opdracht een strafexpeditie naar het noorden te maken. Tijdens die veldtocht bouwde hij in het land der Friezen een kasteel of Castello. Wáár is onbekend. De veldtocht moest worden afgebroken toen keizer Claudius, U weet wel, die ietwat mismaakte keizer, die ook niet helemaal normaal was, een inval in Engeland wilde doen. Nu heeft men plotseling ten zuiden van de tunnelbouw een plaats gevonden, waar zeer veel Romeinse scherven voorkomen, alle daterende uit dezelfde tijd. Het zou dus mogelijk zijn dat het castello daar heeft gestaan, dat het onverwachts is verlaten en dat de "buren" na het vertrek der soldaten alles hebben weggehaald wat zij konden gebruiken. Dat van het castello zelf niets meer over is zou dan moeten worden toegeschreven aan het wegspoelen door het zich daarna steeds uitbreidende IJ. 

Na deze tijd volgt weer een rustpoos tot de eerste en tweede Germaanse volksverhuizing, beide na het begin onzer jaartelling. Hierna komt de periode van de "Noormannen"-plaag en daarmee de tijd waarvan wij reeds veel meer weten. 

Zo ziet men, hoe de tunnelbouw te Velsen ons een dieper inzicht heeft gegeven in de geschiedenis en bewoning van westelijk Holland. Wie van de collega's uit Noord-, Oost- of Zuid-Nederland kan eens iets vertellen over de oudste bewoners in hun streek. 

W.  


© 2007  Dé Wintersteijn, Assendelft

Deze pagina is onderdeel van de homepage van: Dé Wintersteijn