Het onderstaande artikel is geschreven door M.C. Wintersteijn en verschenen in het april nummer van 1958  van "Bank Noten", het personeelsorgaan van de Twentsche Bank.


 

 

Herinneringen

(uit het jaar 1910 en later)

De redactie heeft gevraagd eens iets te schrijven over herinneringen en ervaringen. Dat is geen gemakkelijke taak! In de eerste plaats vallen de gebeurtenissen in het verleden en de lezers zullen zich moeten indenken, dat alles moet worden bezien in het licht van die verleden tijd. Toen ik mijn entree maakte bij de bank, waren er nog geen radio en televisie, de auto was een grote luxe, voor verplaatsing in de stad maakte men gebruik van met paard bespannen koetsjes. De treinen reden met stoomlocomotieven en deden gewoonlijk slechts 40 km per uur. De telefoon was nog zo'n apparaat waar men eerst aan een slinger moest draaien, wilde men contact met de opgeroepene krijgen. De telefoondraden waren alle bovengronds, op de grachten stonden hoge masten, waaraan de draden tezamen kwamen om over de huizen heen te kunnen komen. Aan de bank waren inderdaad een aantal intercommunale telefoontoestellen. Verbindingen kwamen tot stand op een klein schakelpaneel, bediend door een handige juffrouw, een katje niet zonder handschoenen te benaderen, gezeten aan een tafeltje op de plaats, waar nu de chef van de wisselarbitrage zit. De totale hoeveelheid kantoormachines bestond uit vier Underwoods, waarvan er drie waren geplaatst in de typekamer van de accountantsafdeling en één in het secretariaat. Alle brieven en nota's werden geschreven met kopieerinkt en daarna gekopieerd door middel van een kopieerpers, een zwaar metalen apparaat, waarin de brieven werden geklemd tegen dun kopieerpapier, met aan de achterzijde vochtige lappen. Waren de lappen te droog, dan kwam er niet veel over op het kopieerpapier, waren ze te nat, dan vloeide de inkt uit en waren de brieven en nota's bijna niet te lezen. Vergelijk dat eens met de tegenwoordige keurige brieven en nota's, waarvan de kopieën door middel van carbonpapier zijn vervaardigd! 

Ook de onderlinge verhoudingen waren geheel anders en het geld had nog een grote waarde. De Twentsche Bank bezat toen slechts één bijkantoor, en wel het kantoor Prins Hendrikkade. Daarnaast werd wel door middel van deelneming een zeker belang gehouden in de Wissel- en Effectenbank te Rotterdam, B. W. Blijdenstein Jr. te Enschede en Ledeboer & Co. te Almelo, met verder nog enkele minder belangrijke binnenlandse belangetjes. In Londen werd deelgenomen in één, in Westfalen in drie banken. In dit licht moet men dus de komst bij de bank bezien. 

Welnu dan, na te hebben gesolliciteerd werd een oproeping ontvangen en werd een aantal gegadigden stuk voor stuk beoordeeld door de hoofddirecteur, mr. Willem Blijdenstein. De andere gegadigden werden - zoals toen gebruikelijk was - voor een aantal jaren naar Twente gezonden. Dat werd als de beste opleidingsschool beschouwd. Omdat mijn cijferlijst nogal goed was, kon ik direct in Amsterdam komen. Er werd een contract gesloten voor drie jaar, aanvangsalaris f 25,- in de maand en wanneer het contract binnen drie jaar zou worden verbroken, terugbetaling van alle verdiende bedragen. De eerste drie jaar werden als leerjaren beschouwd. Slechts in het bezit van een diploma H.B.S. kon men bij de bank komen. In die tijd werd de H.B.S. nog niet zo veelvuldig bezocht als tegenwoordig en was zowel A als B, dus nu niet direct gemakkelijk. Hoe die leerjaren verliepen, zal ik hierna vertellen, doch uiteindelijk werd wel veel bij de bank geleerd. Vele van de employés vonden dan ook later zeer goede betrekkingen bij andere ondernemingen, vooral bij cliënten, omdat de bank daartoe bemiddeling verleende. De chefs van de boekhouding of financiële directeuren van Werkspoor, Ketjen, Molukse Handelsvennootschap, Stoomvaart Mij. Nederland en velen meer kwamen uit ons personeel voort. 

Ik werd geplaatst in de Centrale, een mooie naam, maar eigenlijk een verzamelplaats van juist aangenomenen en tijdelijk werklozen. De eerste taak was adressen schrijven, elke dag moesten de adressen voor de belangrijkste relaties worden geschreven. Adresseermachines en venstercouverten waren onbekend. Ondertussen moest worden geholpen bij het boodschappen doen. Clearing was er nog niet, zodat voortdurend de lopers onderweg waren naar de verschillende banken en de commissionairs in effecten en de betaalkantoren voor "Russen" en "Oostenrijkers" (het toen voor belegging zeer geliefde papier, dat geheel waardeloos is geworden). Het loperspersoneel bestond niet als nu uit flinke, jonge kerels, maar werd gevormd in hoofdzaak door oud-gedienden. Eén had als scheepsjongen een tocht van een Nederlands eskader naar Japan meegemaakt en werd daarom nog de "held van Sjimenoseki" genoemd. Deze lopers hadden een tas door een ketting aan een riem om het middel verbonden. Onze taak was nu naast de loper te gaan aan de kant, waar hij de tas vasthield. Waren er grote sommen over te brengen, dan werd een rijtuigje gehuurd, een "bakje" of meer Amsterdams een "aapje" genoemd, met op de bok een koetsier, wiens gelaat, en vooral de neus, door het steeds in de buitenlucht zitten, danig waren verkleurd. Het Rokin was toen nog niet gedempt en zo gebeurde het eens, dat een wiel van het bakje liep en de koets omsloeg. De loper kwam op straat terecht, de tas ging open en de effecten woeien er uit, voor een groot gedeelte in het water van het Rokin. Jarenlang hebben we toen in de boeken de rekening "Verloren Effecten" gehad, in afwachting van het verkrijgen van duplicaten of schadevergoeding. Moest er specie worden gehaald bij de Nederlandsche Bank, dan kwam een kruier met een handkar met deksels en hangslot voor en moest deze naar de bank der banken heen en terug met de waardevolle inhoud worden begeleid. 

Naast het begeleiden van lopers werden ook zelfstandig boodschappen 'gedaan. Zo kwam het eens voor, dat de hoofdkassier opbelde om twee bedienden, om een bedrag van een miljoen weg te brengen naar een verzekeringsmaatschappij. De boodschap werd er bij gegeven, dat "die grote sterke kerel" er bij moest zijn, gezien het grote bedrag. Was er tijd over tussen het doen van boodschappen en het schrijven van adressen, dan moesten de grootboeken vrij van potloodtellingen worden gemaakt. Want d<:: boekhouding werd gehouden in zeer grote, zware boeken, waarin met potlood van tijd tot tijd de tellingen werden aangebracht. 

Was een jaar of een kwartaal om, dan werden nieuwe boeken in gebruik genomen. De oudsten in de Centrale mochten dan de transporttellingen in inkt schrijven en de jongeren moesten alle potloodcijfers weggummen. Na veertien dagen te hebben gegumd, kon ik met de rechterarm geen stoel meer verzetten. 

Er was een lift, maar één welke liep op waterkracht. Wanneer het vroor, moest het reservoir op zolder met stromatrassen tegen bevriezing worden beschermd, terwijl na enige malen herhaald gebruik het reservoir eerst weer moest vollopen, wilde men weer kunnen liften. Er was ook een centrale verwarming, niet met heet water maar met stoom. Wanneer een radiator werd ingeschakeld, was het alsof er een veldslag werd geleverd, doordat met veel geknal de stoom zich een weg moest banen door het gecondenseerde water. 's Zomers werd er natuurlijk niet gestookt. Onze stoker was op het denkbeeld gekomen om dan rondvaarten door de grachten te organiseren. Met een persoonlijk voorschot van de heer Theek Blijdenstein kocht hij een motorbootje en dit is de voorloper geweest van de tegenwoordige schitterende rondvaartboten. Misschien zegt het de Amsterdammers wel iets, dat de stoker Plas heette. Zo heet nog een van de vooraanstaande rondvaartrederijen. 

Ik vroeg of ik mocht leren typen. Na overleg deelde de chef van de Centrale mede, dat was goedgevonden, dat ik in mijn eigen tijd, na half zes, kon leren typen in de typekamer van de accountantskamer, die kamer, die later mijn eigen kamer zou worden. 

Toen, nadat ik een jaar bij de bank was, werd begonnen met typen in de afdelingen, zelfs hier en daar met een schrijfmachine met opgezette telwerken, zodat de getypte bedragen ook meteen konden worden geteld, en met carbonpapier, zodat de kopieerpersen zouden kunnen verdwijnen. Ik werd als een van de weinige employés, die konden typen, ingeschakeld en deed dus de eerste schrede op het terrein van de kantoormachineorganisatie. Onverdeeld prettig was dat niet. Toen ik bij de bank kwam, was de vrije zaterdagmiddag niet bekend. Toen de schrijfmachines kwamen werd juist ingevoerd, dat bij toerbeurt een vrije zaterdagmiddag zou kunnen worden genomen. Steevast kwam op zaterdagmorgen de heer Klijnveld, de invoerder van de machines en later stichter van het bekende accountantskantoor, dat zijn naam draagt, met de vraag: "Heb jij vandaag de vrije beurt". En was het "ja", dan volgde, "dan kan jij vanmiddag best helpen in die of die afdeling om de schrijfmachines in te voeren". In plaats van dan om 1 uur naar huis te gaan, werd het soms wel half zeven of zeven uur. Van vrije zaterdagmiddagen gesproken I Enfin, de heer Klijnveld heeft later - toen ik het M.O. had behaald alles gedaan om mij zo snel mogelijk in de accountantsafdeling te krijgen. 

Er was ook een huistelefoon, een toestel met een hoorn en een snoer met een stekker. Op een bord was een aantal afdelingen aangegeven en door de stekker in het bijbehorende gaatje te steken kon men die afdeling opbellen en spreken. Gemakkelijk, maar ook een bron van ergernis. Want wanneer een kwajongen ergens een aantal gaatjes met een ijzer- of koperdraadje verbond en dan de stekker in een van die gaatjes stak, werden alle verbonden afdelingen tegelijk opgebeld en kon men een ruzie afluisteren tussen een aantal afdelingen, welke elkaar over en weer beschuldigden, te hebben opgebeld. 

Er bestond ook toen reeds een personeeltantième. De bedragen werden echter niet uitgekeerd, maar gecrediteerd op een personele reserverekening, waarover een rente werd vergoed gelijk aan het dividendpercentage. Bij verlaten van de dienst werd het geaccumuleerde bedrag uitbetaald, tenzij ... men in de tussentijd een fout had gemaakt, waarvoor de schade op deze reserverekening was afgeboekt. Voor andere personeelvoorzieningen was reeds veel gedaan. Elke middag werd een gratis consumptie uitgedeeld, verzorgd door de concierge, een man, die in die tijd een veel hoger inkomen had dan de employés. 

Er was een Zieken- en Pensioenfonds, het Blijdensteinfonds en de Brinkstichting bestonden reeds en de sfeer op kantoor was een uitstekende. De verhouding tussen de employés onderling was een bijzonder collegiale, ook al waren er wel eens procuratiehouders, die een beetje kort aangebonden waren of eigenaardigheden hadden. Zo heb ik een chef gehad, die zijn middagmaal deed met een halve leverworst en twee flesjes bier en bij verkoudheid 's middags een dutje deed. En 0 wee, wie dan niet op zijn tenen liep, en hem wakker maakte! Maar hij had dan ook lang bij de Duitse kantoren gewerkt. Dat zijn dan zo enkele ervaringen uit de eerste jaren, welke een denkbeeld kunnen geven hoe het eens was. 

Veel is sedertdien veranderd. Machines hebben het geestdodende werk overgenomen. Alle zware vaste boeken zijn verdwenen en vervangen door eenvoudiger hanteerbaar, gemakkelijker ontstane geschriften, met getypte en dus duidelijker teksten. Het donkere behang is vervangen door lichte muren. De oude, weinig lichtgevende kooldraadlampjes hebben plaats gemaakt voor mooie lichtornamenten. Maar gelukkig is de stemming, de collegiale verhouding gebleven, zodat het nog steeds goed werken is bij onze bank. 

 W.


© 2007  Dé Wintersteijn, Assendelft

Deze pagina is onderdeel van de homepage van: Dé Wintersteijn