Het onderstaande artikel is geschreven door M.C. Wintersteijn en verschenen in het augustusnummer van 1960 van "Bank Noten", het personeelsorgaan van de Twentsche Bank.


 

 

De Deltawerken

 

Een van de dingen, waardoor Nederland zich van andere landen onderscheidt, is wel de voortdurende strijd tegen het water. Wanneer er in Nederland geen dijken zouden zijn, zou ongeveer 50 % van de oppervlakte onder het zeewater zijn bedolven. Het westen en noorden zouden verdwijnen en daarmede de dichtstbevolkte gedeelten. 

Toen na het begin onzer jaartelling de zee de aanvallen op het land vernieuwde, werd steeds meer terrein verloren. Waddenzee en Lauwerszee ontstonden, het Flevomeer groeide uit tot de Zuiderzee (ongeveer 1300) en de Zeeuwse gaten werden steeds groter. Huisduinen lag praktisch op een eiland. Ook de meren knabbelden steeds de oevers verder af, zoals Haarlemmer Meer, Beemster, Schermer, Wormer en nog meer. Om zich aan stookmateriaal te helpen groef men het veen weg en ontstonden steeds groter wordende veenplassen als de Loosdrechtse. 

De bewoners trachtten zich eerst te verdedigen door het opwerpen van terpen. Men vergist zich, wanneer men denkt, dat deze alleen in Friesland voorkwamen. Doch reeds spoedig begon men ook dijken aan te leggen om het land, dat bij eb droog viel, te beschermen. Men volgde hierbij de vorm van de gronden, zodat de dijken zich in een grillige lijn daaromheen kronkelden. Deze dijken werden later de verkeerswegen. Dit verklaart, waarom nog veel van onze binnenwegen zo schilderachtig door het landschap lopen en zich van mogelijkheden van snelverkeer niets aantrekken.

 Toen de windmolen was uitgevonden, begon men ook het lager liggende land van water te bevrijden. De naam van Leeghwater is daaraan onverbrekelijk verbonden. Naast de polders, waar men bij eb het overtollige water door spuien kan lozen, ontstonden nu de droogmakerijen, welke alleen door bemaling het water konden wegwerken.  

Ondertussen deed en doet zich een nieuw verschijnsel voor, n.l. dat het land ten opzichte van de zeespiegel voortdurend daalt. Wat de oorzaak daarvan is? Stijgt de zee of daalt het land? Wie zal het zeggen. Waarschijnlijk doen zich beide factoren gelijktijdig voor. Een der oorzaken van het dalen van het land is de voortdurende wateronttrekking, onttrekking door bemaling van de droogmakerijen, voor de waterleidingen en voor de industrie. Op vele plaatsen wordt in de bodem veen aangetroffen. Dit houdt water vast. Moet het dit water verliezen, dan krimpt het in. Met andere grondsoorten is dat in mindere mate het geval. Voorbeelden zijn er te over. Wie de Noordoostpolder (dat eigenlijk geen "polder" maar een droogmakerij is) bezoekt, zal zien, dat het vroegere eiland Schokland steeds verder daalt. Het steekt lang niet zo hoog meer boven het omringende land uit als toen de grond eerst droog kwam te liggen. Het veen verliest zijn water. Hetzelfde heeft zich voorgedaan waar het oude land aan deze polder grenst. Daar heeft het oude land grondwater verloren. Een zeer sprekend voorbeeld vond men vroeger in de spoorlijn naar het Rotterdamse Maasstation. Deze lijn ging - al was het niet zo direct zichtbaar -  op en neer met eb en vloed. Hetzelfde probleem doet zich voor in de Zaanstreek. De weilanden in het Westzanerveld drijven bijna op het water. Wanneer men het waterpeil zou verlagen, zou het oppervlak van het weiland aanzienlijk kunnen worden vergroot. Maar wanneer men het water 10 cm verlaagt, zal het land bijna evenveel dalen. Men zal dus aanzienlijk moeten verlagen, wanneer men werkelijk land wil winnen. Maar dan zal de waterstand zo laag worden dat de heipalen, waarop vele Zaanse gebouwen rusten, met de kop boven het grondwater komen, zodat deze gaan rotten en de gebouwen zouden instorten.  

Ook de zeespiegel stijgt. Een belangrijke oorzaak daarvan is het terugtrekken van de ijskap aan de Noordpool. De Noordpool houdt ongelooflijke ijsmassa's en daarmede zeewater vast. In de tijd van de Noormannen was de zuidelijke punt van Groenland begroeid en was de naam dus niet zo gek. Daarna is het ijs komen opzetten. De kolonies, door de Noormannen op Groenland gesticht, zijn jammerlijk omgekomen. Men vindt er nu nog de restanten van de ruines. Sinds een aantal jaren trekt de ijskap zich echter weer terug. Vogels, welke tot dat tijdstip op Groenland onbekend of niet meer bekend waren, beginnen zich op de zuidpunt te vertonen. De robben trekken noordelijker, zodat de Eskimo's deze voedselbron moeten volgen. Rusland is er trots op, dat het er in is geslaagd granen te selecteren, welke veel noordelijker kunnen groeien, maar naar alle waarschijnlijkheid heeft de natuur hier een handje geholpen. Deze vermindering van de ijsmassa's heeft het oceaanwater doen stijgen. 

Onze beschermende dijken nu worden door twee gevaren bedreigt. In de eerste plaats door de dijkvallen. Het kan zijn dat door het schuren van het water de dijkvoet iets is verzwakt. Wanneer zich nu toevallig een zeer lage waterstand voordoet, mist de dijk de binnenwaarts gerichte druk van het water en de dijk stort naar buiten. Dergelijke dijkvallen zijn in Zeeland in de loop der jaren dikwijls voorgekomen. 

Een ander gevaar is, dat er zich zulke onverwachts hoge waterstanden voordoen, dat de dijken het begeven of eenvoudig worden overstroomd, waarna door de uitholling aan de binnenzijde de dijken tenslotte wegspoelen. In de geschiedenis zijn vele van die dijkdoorbraken voorgekomen. Een van de oudste, welke ieder kent is die waarbij de Biesbos is ontstaan, in 1421. 

Een andere is die van 1552 in Zeeland, waarbij de rijke handelsstad Reimerswaal voor goed de golven verdween. Ook Friesland kreeg zijn deel, onder meer in 1825. Zelf hebben velen van ons nog meegemaakt de doorbraak van de Zuiderzeedijken, waardoor onder meer bijna geheel Waterland onder water stond in 1916. Maar vers in het geheugen ligt bij ieder de stormramp van de nacht van 31 januari op 1 februari 1953. Ontzaglijk veel leed en enorme schade werd toen aangebracht en alleen dank zij het feit, dat de dijken van de Hollandse IJssel het hebben gehouden, is de ramp nog niet veel groter geworden. 

Deze ramp van 1953 nu is de aanleiding tot het ontstaan van het Deltaplan, waarbij men de zeegaten van Walcheren tot Rozenburg wil gaan sluiten door zware dijken.  

Hoe men nu tot dit plan is gekomen? 

In de loop van de jaren heeft men met dijken veel ervaringen opgedaan. Men heeft geleerd, dat de rechte weg de kortste is, dat dus de rechte dijk veel voordelen heeft boven de oude kronkeldijk. De Afsluitdijk van Zuiderzee is daar het sprekende voorbeeld van. Door deze Afsluitdijk kunnen de dijken van de te maken nieuwe landaanwinningen minder zwaar zijn. Deze dijken en de oude Zuiderzeedijken vormen de tweede verdedigingslinie, de reserve. Zal men in de toekomst tot verdere verhoging van de dijken moeten overgaan, dan zal dit minder kosten, dan bij de oude langere dijken. Ook het voortdurende onderhoud is goedkoper. Dijkverkorting is dus van groot belang.  

Ook heeft men nu nieuwere middelen bedacht om bij het aanleggen van dijken de werking van de getijden te beheersen. Wanneer een zeedijk wordt aangelegd, heeft men het enorme bezwaar, dat eb en vloed het nieuwe dijklichaam belagen. Vooral het dichten van het laatste gat kost ontzaglijke inspanning. Toen de Afsluitdijk werd gemaakt, bleef tenslotte één gat open, de Vlieter, waardoor het water bij de getijden met kracht in- en uitstroomde. Men heeft een drempel gelegd in dit gat en toen alle mogelijke materiaal verzameld om op een moment van dood tij, het moment waarbij eb en vloed met elkaar in evenwicht zijn, het gat snel te dichten. Groot was de spanning op dat moment. Het is gelukt en de dijk was dicht. Alle stoomfluiten lieten hun vreugdesignaal horen.  

Toen na mei 1945 Walcheren weer droog moest worden gelegd, heeft men een ander systeem toegepast. In het laatste gat heeft men een caisson binnengebracht, een caisson oorspronkelijk gemaakt voor de kunstmatige havens bij de landingen in Normandië. Wie daarover meer wil weten, moet de roman "Het verjaagde Water" van Den Doolaard eens lezen. 

Hierop voortbouwende is men gekomen tot een systeem, waarbij men eerst zeer ruime uitwaterende sluizen bouwt. Zijn deze gereed, dan worden de schuiven geopend zodat eb- en vloed hierdoor vrij spel hebben.  

Daarna worden de dijklichamen russen de wal en deze spuisluizen aangelegd, waarbij men dan veel minder hinder van de getijden heeft. Daarna worden de schuiven gesloten. 

Voor het Deltaplan worden nu deze nieuwe methoden toegepast. Door de nieuwe dijken worden de bestaande zeedijken met liefst 700 KM verkort. De kosten van de nieuwe dijken zijn ongeveer even hoog als die van de anders noodzakelijke verhoging van de oude dijken. Bovendien heeft men nu het voordeel van minder onderhoudskosten in de toekomst, van het hebben van een tweede linie en voorkomt men het opofferen van goede grond door het verbreden van de dijkvoeten, wat bij verhoging noodzakelijk is. Tenslotte ontstaat een zoetwaterreservoir, waarover verder meer.  

Het gehele werk zal duren tot 1978. Een uitvoerig tijdschema is opgesteld. Dit is nu eens een mooi voorbeeld van planning op lange termijn!  

Wie iets van de uitvoering van de werken wil zien, moet dat doen door met een boot vanuit Rotterdam of Hellevoetsluis een bezoek te brengen aan de bouwput, welke in het Haringvliet is aangelegd. Hier heeft men een dam gelegd, aan de zeekant veel hoger dan aan de binnenzijde en de daarbinnen gelegen put droog gemalen. De naar de zee gerichte dijk is niet meer bekleed op de tot nu toe gebruikelijke wijze met bazaltblokken of betonblokken, maar met asfaltbetonplaten. In de put, welke wordt drooggehouden door electrische bronbemaling wordt geheid om daarop straks de schutsluis en 17 uitwateringssluizen, elk ruim 56 m breed te bouwen. In elk der 17 openingen zal zowel aan de zee- als aan de landzijde een verticale schuif komen, elk wegende 425.000 KG. Door deze openingen, tezamen bijna een kilometer, zal later zowel water als ijs kunnen worden afgevoerd. Rondom dit werk zijn de materialen opgeslagen, terwijl op de dijk aan de landzijde zijn opgericht zoetwatertanks, gevuld door middel van een plastic buis; met vanaf Goeree, een elektrische centrale, een capaciteit voldoende voor een stad van 100.000 inwoners en een betonfabriek, welke de grootste van Europa is. Men zou het deze betonfabriek, gelegen tussen ter enerzijde een hoop grint en ter andere zijde een hoop rivierzand, niet aanzien, dat deze zoveel cement kan vervaardigen. Wanneer de spuisluizen gereed zullen zijn zal daarover komen een grote brug met zes rijbanen, welke verder over de aan te leggen dijk, Voorne en Goeree zullen verbinden. De watermassa, welke bij ebstroom 275.000.000 m3 en bij vloedstroom 225.000.000 m3 bedraagt, wordt nu buiten de bouwput omgeleid. Daardoor is daar de bodem uitgeschuurd en is de diepte van het water van 11 m geworden tot 24 m. Zodra nu het werk in de bouwput gereed zal zijn, zal de dam worden weggebaggerd en zal een geul worden gegraven naar de 17 openingen, zodat daar de krachtige waterstroom door kan gaan.  Daarna wordt ter weerszijde het dijklichaam gebouwd. Op overeenkomstige wijze zullen de overige zeegaten worden aangepakt. Slechts de Westerschelde en de Nieuwe Waterweg blijven open. 

 Met deze dijken is men er nog niet. Er moet worden gezorgd, dat het nieuwe waterreservoir niet indirect met de zee in verbinding staat. Daartoe zal een dijkstelsel worden gebouwd tussen Haringvliet, Hollandsdiep en Volkerak, of wat hetzelfde is tussen Hoekse Waard, Overflakkee en Noordbrabant. Hierdoor zal men naar willekeur rivierwater kunnen binnenlaten en dan het nu aanwezige zoute water spuien op de Westerschelde. Zo wordt langzamerhand het gehele reservoir zoet. Daarenboven is er nog een gevaar, de Hollandse IJssel. Wanneer het Noordzeewater zou opstuwen zouden de dijken van deze rivier groot gevaar lopen. Deze dijk is vroeger al eens doorgebroken. In Gouda bewaart men nog afbeeldingen van een doorbraak met ernstige gevolgen in 1776. In 1953 heeft de dijk het nog net gehouden. Men zou nu een sluis aan de monding kunnen maken. Dat heeft echter bezwaren. De scheepvaart tussen Amsterdam en Rotterdam is zeer belangrijk en een sluis zou betekenen, dat alle schepen moeten worden geschut. De aangrenzende polders lozen er het overtollige water op. Verschillende gemeenten lozen het afvalwater op deze rivier. Bij stilstaand water zou dat onaangename gevolgen hebben. Daarom heeft men een stormvloedkering aangebracht bestaande uit twee torens met daartussen een hefdeur van 80 bij 11,50 meter, de grootste ter wereld. Zodra er gevaar dreigt, kan deze deur worden neergelaten en wordt de IJssel afgesloten. Ten behoeve van de scheepvaart in dat geval is er een schutsluis naast gebouwd. 

Zoals uit het voorgaande blijkt, een geweldig werk, waaraan vele diepgaande studies zijn voorafgegaan, niet alleen wat de bouwkundige problemen betreft, maar ook wat de waterstaatkundige aangaat, een studie naar de gedragingen van het water, wanneer eenmaal de dijken zijn aangebracht. Het Waterloopkundig Laboratorium heeft hier een belangrijk aandeel in gehad.  

Het plan heeft ook wel nadelen. Zo zal de oesterteelt, welke jaarlijks een 6,5 millioen deviezen in brengt en aan velen werk verschaft, verloren gaan. 

 Daar staat tegenover, dat de eilanden door de over de dijken aan te brengen wegen veel gemakkelijker toegankelijk zullen worden. Dat daardoor vestiging van industrie mogelijk wordt. Dat door de ontzilting van de bodem de arbeidsintensievere tuinbouw in de plaats van de steeds meer gemechaniseerde landbouw kan komen en dus meer mensen werk zullen kunnen vinden. 

En tenslotte is er dan nog de zoetwaterhuishouding. Door het schutten van zeeschepen en het onttrekken van water aan de duinen dringt het zoute water steeds meer het land binnen. Dit houdt op zichzelf een zeer groot gevaar in. Het water verdampt, maar het zout blijft achter, waardoor het gehalte steeds hoger wordt. Plant en dier kunnen deze verzilting niet verdragen, zodat ook de mens in gevaar zal komen. Wanneer in IJmuiden de grote sluis wordt gebruikt, stroomt een belangrijke hoeveelheid zout water binnen, afhankelijk uiteraard van de hoogte op dat tijdstip van het buitenwater. Dit water kan een 2500 ton keukenzout bevatten, wat bij 12 schuttingen per dag neerkomt op 30.000 ton zout per dag. Hoe raken we dat weer kwijt?  

Doordat door de Deltawerken alle rivierwater - behalve dat van de Schelde - voortaan via Rotterdam in zee zal lopen, is daar een overschot gekomen. Door nu in de beneden Rijn drie stuwen met schutsluizen te bouwen, kan een groter gedeelte van het Rijnwater naar de Gelderse IJssel worden gevoerd en zo in het IJsselmeer worden gebracht. Door de Oranjesluizen kan dit in het Noordzeekanaal worden gelaten en kan bij IJmuiden veelvuldiger, tijdens eb, worden gespuid en zo het zoute water weer worden uitgedreven. In IJmuiden is men reeds begonnen meer de kleine oude sluizen te gebruiken dan de grote sluis en zo minder zout water in te laten. Door het Deltaplan zal de tegenstroom aanzienlijk kunnen worden versterkt en zo zal men er wellicht in slagen ons land voor verzilting te bewaren. 

De Deltawerken hebben dus een veel verdere strekking dan men er op het eerste gezicht van zou denken. Het is niet alleen een dijkverkorting. Daarom kan een bezoek stellig worden aangeraden.

W. 

 


© 2007  Dé Wintersteijn, Assendelft

Deze pagina is onderdeel van de homepage van: Dé Wintersteijn